top of page

De mythe van “gelijke kansen” – waarom de CBR-verhuizing naar Geleen wél leidt tot oneerlijke concurrentie

  • 7 dagen geleden
  • 3 minuten om te lezen
De veelgehoorde stelling dat de verhuizing van het CBR naar centraal Geleen niet zou leiden tot oneerlijke concurrentie, omdat iedereen volgens dezelfde regels speelt, roept serieuze vragen op. Want over welke regels hebben we het hier eigenlijk, en voor wie zijn die regels werkelijk gelijk? Op papier klinkt het logisch: één centrale locatie, gelijke toegang voor iedereen. In de praktijk betekent de keuze voor één locatie echter per definitie ook uitsluiting. Waar voorheen meerdere examengebieden zorgden voor spreiding en een zekere balans, wordt nu alles geconcentreerd op één plek. Daarmee wordt het systeem niet eerlijker, maar juist gevoeliger voor ongelijkheid. Want “centraal” is geen absoluut begrip, maar volledig afhankelijk van perspectief. Wat centraal is voor een rijschool in Sittard of Geleen, is dat allerminst voor een rijschool in bijvoorbeeld Margraten, Vaals of Eijsden.

Er wordt vaak gesteld dat reistijdverschillen altijd al bestonden, en dat is op zichzelf waar. Het cruciale verschil is echter dat deze verschillen voorheen werkbaar waren, juist omdat er meerdere examencentra beschikbaar waren. Rijscholen konden hun leerlingen lokaal voorbereiden, afgestemd op het examengebied. Door de centralisatie naar Geleen wordt reistijd geen variabele meer, maar een structurele ongelijkheid. Daarmee verschuift ook de onderliggende vraag: wie gaat deze extra reistijd uiteindelijk betalen? Het antwoord ligt voor de hand: de leerling.


In de praktijk betekent dit dat een leerling die wordt opgehaald in bijvoorbeeld Margraten of Cadier en Keer al snel een half uur onderweg is naar Geleen en na de les opnieuw een half uur terug. Dat is een uur reistijd per les, terwijl de leerling wel voor twee uur betaalt. Effectief blijft er dan misschien nog maar één uur daadwerkelijke lestijd over. Met andere woorden: een lespakket wordt aanzienlijk sneller verbruikt, zonder dat de kwaliteit van de opleiding toeneemt. Dit effect wordt nog versterkt door de structureel hogere kosten voor rijscholen die verder van Geleen gevestigd zijn. Meer kilometers betekenen meer brandstofkosten en meer tijdverlies, wat onvermijdelijk wordt doorberekend aan de leerling.

Hierdoor ontstaat een situatie waarin niet iedere rijschool vanuit dezelfde uitgangspositie opereert, en daarmee is de concurrentie per definitie niet gelijk.


Het ligt dan ook in de lijn der verwachting dat veel rijscholen genoodzaakt zullen zijn om hun werkwijze aan te passen en leerlingen in de toekomst te laten reizen naar een centraal ophaalpunt, zoals station Beek/Geleen. Wat in de Randstad, met goed ontwikkeld openbaar vervoer, nauwelijks problemen oplevert, vormt in Zuid-Limburg een aanzienlijk obstakel. De regio kenmerkt zich door verspreide dorpen en een minder fijnmazig OV-netwerk, waardoor leerlingen uit deze gebieden disproportioneel veel extra tijd en moeite moeten investeren. De drempel om te starten met rijlessen wordt daarmee hoger, niet door eigen keuze, maar door een beleidsmatige beslissing.


De bewering dat een centrale ligging per definitie eerlijker zou zijn, houdt dan ook geen stand. Deze redenering lijkt vooral gebaseerd op theoretische gemiddelden en bereikbaarheid per auto, terwijl essentiële factoren zoals openbaar vervoer en geografische spreiding buiten beschouwing worden gelaten. “Gemiddeld beter bereikbaar” is in dit geval geen synoniem voor eerlijker.


Daarnaast moet ook gekeken worden naar de praktische gevolgen van het concentreren van alle rijscholen in één examengebied. In Zuid-Limburg gaat het om honderden rijscholen die voorheen hun leerlingen lokaal konden voorbereiden op het praktijkexamen. Door de centralisatie zullen al deze rijscholen zich noodgedwongen richten op Geleen en de omliggende gebieden. Dit zal onvermijdelijk leiden tot een toename van verkeersdrukte, intensief gebruik van dezelfde oefenlocaties en overlast voor bewoners. Waar eerder sprake was van natuurlijke spreiding, ontstaat nu een kunstmatige concentratie van rijlesverkeer.


De conclusie is dan ook dat de uitspraak dat iedereen volgens dezelfde regels speelt in dit geval geen standhoudt. De verhuizing naar één centrale locatie verandert niet alleen de logistiek, maar verschuift het speelveld fundamenteel. Ongelijke reistijden, oplopende kosten en verminderde toegankelijkheid zorgen ervoor dat niet iedere rijschool en niet iedere leerling dezelfde uitgangspositie hebben. En op het moment dat die uitgangspositie niet gelijk is, kan er simpelweg geen sprake zijn van eerlijke concurrentie.


 
 
bottom of page